maandag 5 januari 2009

Ik ben niet meer wat ik was

De klok tikt de seconden weg. 23 uur en 53 minuten. En de seconden glijden steeds verder weg in de duisternis van het onbelangrijke verleden. In de moeilijke situatie waarin ik me bevind, doemt een verstikkende gedachte op die op vrolijker momenten nooit in mijn hoofd zou zijn opgekomen. 23 uur en 53 minuten is voorbij en kwam nooit meer terug. Alleszins niet 23 uur en 53 minuten op 2 januari 2009. Voorgoed weg. Van zo’n gedachten panikeer ik altijd.
Naast mij hangt een spiegel. Ik kijk erin en streel over de donshaartjes op mijn gezicht. In weze is de mens volledig behaard, fluister ik tegen mijn spiegelbeeld. Mijn vinger glijdt over mijn bovenlip. Ik ga dichter bij de spiegel hangen en ik voel en zie de minuscule haartjes die daar groeien. Ik heb een blonde snor, fluister ik tegen mijn spiegelbeeld. Een blonde snor, onzichtbaar op afstand, maar als iemand mijn bovenlip zou bestuderen dan zou deze persoon concluderen dat ik in het bezit was van een snorretje. Zoals iedereen op deze wereld, dus niks waarover ik een drama maak.
De klok loopt verder. 23 uur en 59 minuten en 17 seconden. 18. 19. Ik geef meteen op alle seconden op te sommen, ze gaan te snel. De ene moment vind ik dat een seconde een eeuwigheid lijkt, meteen daarna gaat de tijd te snel voor mij.
Het is 3 januari 2009. Ik kijk voor me uit naar mijn beeldscherm en herlees de zin die ik net heb geschreven. Dan kijk ik weer naar de tijd. Ik kan het niet laten, ik maak me zorgen. Het duurt te lang. Het is al laat. Ik ben van nature heel contradictorisch geduldig en ongeduldig, dat hangt af van de situatie. Ik ben in deze situatie ongeduldig, want het duurt te lang, maar ik wacht geduldig en ik hou me in om niet naar de telefoon te grijpen.
Wanneer de telefoon dan rinkelt om 16 over twaalf ‘s nachts, schrik ik me een ongeluk. Ik was net bezig met de donshaartjes op mijn wang te inspecteren en ik voel me betrapt, alsof het een beschaamtelijke actie was en de beller door de telefoon heen mijn beschaamtelijke actie minutieus heeft kunnen volgen.
De beller wordt niet herkend door de telefoon, ikzelf herken het nummer ook niet. Ik neem aarzelend op.
Een mannenstem klinkt aan de andere kant van de lijn. Ik herken de stem niet.
“Is dit... Esther?”
De stem klinkt gedecideerd, maar blijft even, als was het een standaardprocedure, hangen bij mijn naam, alsof hij niet zeker is hem uit te spreken. Ik antwoord affirmatief.
De man hoest even, zegt iets tegen iemand die bij hem is aan de andere kant van de lijn, maar dat versta ik niet. Hij vervolgt en mijn adem stokt. Ik staar met lege ogen voor me uit. Ongeloof borrelt in me op als ik naar zijn stem hoor. Neutraal, diep, een beetje gehaast, ik bespeur geen mededogen. Schor antwoordt ik met woorden als “wat?”, “ja” en “hm”. Ik geloof het nog steeds niet.

De hoorn glipt uit mijn handen als het gesprek afgelopen is en deint nog enkele keren op en neer aan zijn korte, spiraalvormige draad. Ik hoor nog vaag een hallo van de man, nog één, en dan een klik. Dan is het stil. Wat maakt het uit, het is allemaal uit een andere wereld.
Mijn GSM rinkelt. Ik neem automatisch op en hoor mijn hysterische grootmoeder aan de andere kant van de lijn. Ze huilt. Ik huil niet, ik zeg niks, ik adem nauwelijks. Mijn grootmoeders stem is ver weg en echoot door mijn hoofd. Het lijkt alsof mijn brein verdwenen is. Ik kan niks meer, ik sta gewoon te trillen op mijn benen. Even zweef ik - voor een seconde voelt het allemaal aan als een droom. Ik voel me alsof ik van de grond wordt opgetild en ik stijg op over de daken van de huizen. Iedereen daarbinnen is uit een andere wereld. Ik drijf verder op een stroom warme lucht. Ik zie de autosnelweg in de verte, een rode gloed laait op. Ik wil roepen maar als ik mijn mond open en een luchtstoot uit mijn longen pers, hoor ik niks. Ik nader de autosnelweg. Wanneer de rode gloed te fel is voor mijn ogen, raas ik met de snelheid van het licht naar de grond. Ik sta weer naast de telefoon en de hele wereld rondom mij lijkt op mij neer te vallen. Alles voelt zwaar en leeg. Mijn benen begeven het en ik zak zonder enige weerstand in elkaar. De wereld sluit mijn oogleden en alles wordt donker.

Ik ben niet meer wat ik was, want mijn moeder en mijn zus zijn dood.